Skip to main content
logo
Lancer la vidéo

* Afstand nemen om beter samen te werken

Numéro 4 Avril 2009 par Ludo Abicht

avril 2009

Omdat ter­men als “links, pro­gres­sief, fla­min­gant, bel­gi­cist, fede­ra­list, natio­na­list, inter­na­tio­na­list” enzo­voort in het aan de gang zijnde debat vaak pole­misch en ver­te­kend gebruikt wor­den, moe­ten we wel­licht begin­nen met een paar defi­ni­ties van de kern­be­grip­pen. Voor mij is “links” op de eerste plaats een sociaal-eco­­no­­mische cate­go­rie. Links is iemand die ervan uit­gaat dat we nog […]

Omdat ter­men als “links, pro­gres­sief, fla­min­gant, bel­gi­cist, fede­ra­list, natio­na­list, inter­na­tio­na­list” enzo­voort in het aan de gang zijnde debat vaak pole­misch en ver­te­kend gebruikt wor­den, moe­ten we wel­licht begin­nen met een paar defi­ni­ties van de kern­be­grip­pen. Voor mij is “links” op de eerste plaats een sociaal-eco­no­mische cate­go­rie. Links is iemand die ervan uit­gaat dat we nog steeds in een klas­sen­maat­schap­pij leven, waar­bij de “klasse” bepaald wordt door de verhou­ding die men heeft tot de pro­duc­tie­mid­de­len. Omdat deze klas­sen­maat­schap­pij waa­rin het winst­be­jag pri­meert inherent onrecht­vaar­dig is, streeft iemand van links ernaar, de bes­taande kapi­ta­lis­tische maat­schap­pij te ver­van­gen door een demo­cra­tische samen­le­ving waa­rin de pro­duc­tie­mid­de­len geso­cia­li­seerd zijn, dat wil zeg­gen waa­rin de eco­no­mie in dienst van de men­sen staat en niet omge­keerd. Het uitein­de­lijke streef­doel is, met de woor­den van Marx en Engels in het Kom­mu­nis­tisch Mani­fest, “een asso­cia­tie, waa­rin de vrije ont­wik­ke­ling van ieder de voor­waarde is voor de vrije ont­wik­ke­ling van allen.” Op basis van dit gemeen­schap­pe­lijke uit­gang­spunt is een brede, gedi­ver­si­fieerde dis­cus­sie moge­lijk over de mid­de­len, tijd­ssche­ma’s, stra­te­gieën en tac­tie­ken die rele­vant en nodig zijn om dit doel te berei­ken, zoals geble­ken is uit de his­to­rische pole­mie­ken en gewa­pende conflic­ten tus­sen anar­chis­ten, sociaal-libe­ra­len, socia­lis­ten, sociaal-demo­cra­ten en ver­schil­lende soor­ten van com­mu­nis­ten. Wie links is moet daa­rom wezen­lijk anti­ka­pi­ta­lis­tisch den­ken en han­de­len, ter­wi­jl “pro­gres­sie­ven”, aan­han­gers van “de voo­ruit­gang”, zowel voors­tan­ders kun­nen zijn van een kapi­ta­lis­tisch als van een socia­lis­tisch sys­teem. Als niet-dog­ma­tisch mar­xist ben ik dus een links pro­gres­sief. Want indien “de vrije ont­wik­ke­ling van ieder” de voor­waarde is voor een socia­lis­tische maat­schap­pij, kan men dit onmo­ge­lijk ver­zoe­nen met een maat­schap­pi­j­vorm, waa­rin de demo­cra­tische vri­j­he­den van de bur­gers aan ban­den wor­den gelegd.

Een “fla­min­gant” is, his­to­risch gezien en in de ruime bete­ke­nis van dat woord, een voors­tan­der van de eman­ci­pa­tie van de Vla­min­gen in Bel­gië, waar­bij zowel de nadruk wordt gelegd op de ver­de­di­ging van de Neder­landse volks­cul­tuur als op de sociale ont­voog­ding van de Vlaamse arbei­dersk­lasse. Sinds het onts­taan van de Vlaamse bewe­ging in het mid­den van de negen­tiende eeuw, toen “de Vla­min­gen” een vri­j­wel homo­gene etnische groep vorm­den, is de bete­ke­nis van die term dras­tisch ver­scho­ven : van­daag is een Vla­ming iemand die in Vlaan­de­ren woont en werkt en als vol­waar­dig mede­bur­ger aan het maat­schap­pe­lijke leven wil deel­ne­men, zon­der dat men reke­ning houdt met zijn oors­prong of die van haar ouders. De ver­de­di­ging van de cultu­rele, sociale en poli­tieke rech­ten van de Vla­min­gen gaat hand in hand met het inter­na­tio­na­lisme, omdat de arbei­dersk­lasse de natio­nale gren­zen over­schri­jdt en we ons boven­dien mid­den in een proces van Euro­pese en zelfs mon­diale één­ma­king bevin­den, waar we ons niet aan willen of kun­nen ont­trek­ken. Ooit heette de Franse socia­lis­tische par­tij de « Sec­tion Fran­çaise de l’In­ter­na­tio­nale Ouvrière ». In dezelfde zin zou men een links fla­min­gant lid kun­nen noe­men van « de Vlaamse afde­ling van de inter­na­tio­nale arbeidersbeweging ». 

Fla­min­gan­tisme heeft dus niets te maken met een­der welke vorm van etnisch natio­na­lisme, een spook­beeld uit de negen­tiende eeuw dat jam­mer genoeg van­daag nog alti­jd in bepaalde natio­na­lis­tische krin­gen rond­waart. Dit etnisch bepaalde natio­na­lisme ver­werpt het inter­na­tio­na­lisme als een gevaar voor de raciale of cultu­rele zui­ve­rheid van de eigen groep. In deze zin is het mis­schien wel iro­nisch maar toch verhel­de­rend dat er recht­sex­tre­mis­tische en xeno­fobe par­ti­jen en orga­ni­sa­ties als onder meer het Vlaams Belang bes­taan die zich onte­recht uit­ge­ven voor de erf­ge­na­men van de sociale en demo­cra­tische Vlaamse Bewe­ging. Van­daag vol­staat het, ondub­bel­zin­nig en prin­ci­pieel hun gedach­te­goed te ver­wer­pen om het debat over de gemeen­shap­pen­niet lan­ger te ver­troe­be­len. Wan­neer Frans­ta­lige dis­cus­sie­part­ners ondanks deze dui­de­lijke en herhaalde ver­wer­ping nog steeds elke vorm van Vlaam­sge­zind­heid met dit recht­sex­tre­misme willen asso­cië­ren zijn ze te kwa­der trouw en bre­ken ze daar­mee elke zin­volle dia­loog af. Moet men bij­voor­beeld de Waalse of Frans­ta­lige leden van de Cercle Répu­bli­cain van ver­kapte (Albert II zou “omfloerste” zeg­gen) sym­pa­thie voor het Vlaams Belang ver­den­ken, omdat die par­tij óók opkomt voor de repu­bliek ? De vraag is dus niet of linkse fla­min­gan­ten ver­do­ken of onder­be­wuste hand­lan­gers van extreem­rechts zou­den zijn, quod non, maar hoe ze hun ver­de­di­ging van Vlaamse belan­gen kun­nen ver­zoe­nen met hun inter­na­tio­na­lisme. Theo­re­tisch is het ant­woord hie­rop niet moei­lijk : juist omdat ze inter­na­tio­na­lis­ten zijn, men­sen die de inter­na­tio­nale soli­da­ri­teit hoog in het vaan­del voe­ren, zal voor hen de nauwe samen­wer­king en de soli­da­ri­teit met hun Waalse en Frans­ta­lige kame­ra­den van­zelf­spre­kend zijn. Trou­wens net zoals die met hun kame­ra­den uit andere Euro­pese en niet-Euro­pese lan­den. De dis­cus­sie hier gaat dus niet om de sub­stan­tie van die soli­da­ri­teit, maar om de beste vorm waa­rin die beoe­fend wordt. 

Een kwestie van perspectief

Wan­neer de ana­ly­sen van de meeste des­kun­di­gen een toe­ne­mende diver­gen­tie vasts­tel­len tus­sen bij­voor­beeld de men­ta­li­teit, de eco­no­mische toes­tand, het stem­ge­drag en het onder­wi­js in Vlaan­de­ren en Frans­ta­lig Bel­gië kan men dit ver­schil niet onges­traft nege­ren of weg­wen­sen. Men mag het even­min niet onno­dig en kunst­ma­tig aan­wak­ke­ren, omdat men ook dan de kans op een zin­vol ges­prek hie­ro­ver verk­leint. Het moet zon­der meer moge­lijk te zijn, zo objec­tief, ratio­neel en rede­lijk moge­lijk tot een consen­sus te komen over “the state of Bel­gium” en van­daar naar oplos­sin­gen voor de uit dit ver­schil onts­tane ges­chil­pun­ten op te los­sen. Een der­ge­lijke vorm van geza­men­lijk over­leg mag uite­raard niet voor­be­hou­den bli­j­ven aan die krin­gen die, zoals het konink­lijk hof en de daar­mee ver­bon­den belan­gen­groe­pen, op de alle­reerste plaats hun pri­vi­leges zul­len trach­ten te behou­den. Hoe­wel men zich in het licht van de merk­waar­dige maar onmis­ken­bare manoeuvres rond de finan­ciële cri­sis­sen terecht vra­gen mag stel­len, of die heren en dames van het esta­blish­ment wer­ke­lijk gedre­ven wor­den door Bel­gische patriot­tische belan­gen of door de belan­gen van de trans­na­tio­nale eco­no­mische machts­groe­pen waar zij deel van uit­ma­ken, denk maar aan de uit­ver­koop van ener­gie­be­dri­j­ven en ban­ken die nog alti­jd aan de gang is. De arbei­ders­be­we­ging heeft wei­nig of geen greep op de onde­rhan­de­lin­gen en bes­lis­sin­gen van het esta­blish­ment, maar dat mag ons niet belet­ten, onze eigen conclu­sies uit de rea­lis­tisch inges­chatte toes­tand te trek­ken. Het uit­gang­spunt hier­voor sluit aan bij de vijfde hypo­these van de Revue Nou­velle :

En Bel­gique, cette ten­sion se mani­fes­te­rait indi­rec­te­ment dans les visions diver­gentes que les par­tis de gauche, de part et d’autre de la fron­tière lin­guis­tique, peuvent déve­lop­per­non seule­ment sur les ques­tions sociales et éco­no­miques mais éga­le­ment sur les ques­tions ins­ti­tu­tion­nelles. Comme dif­fé­rentes hypo­thèses le montrent, cette ques­tion est pro­ba­ble­ment l’une des plus cen­trales et sur­tout, elle déter­mine les pos­si­bi­li­tés d’une com­pré­hen­sion mutuelle et d’un dia­logue franc et ouvert en per­met­tant de voir com­ment les fran­co­phones s’y trouvent impliqués.

Daar­bij kan men uit­gaan van de stel­ling dat men, om de sociale ver­wor­ven­he­den te bes­cher­men, het fede­rale niveau dient te vers­ter­ken of menen dat men de nadruk moet leg­gen op de vers­ter­king van de bevoegd­he­den van de deel­sta­ten. Ik heb de indruk dat de tekst van de Revue Nou­velle de eerste hypo­these ver­kiest, ter­wi­jl ik pleit voor de tweede aan­pak. Indien we, vanuit een mar­xis­tisch pers­pec­tief, het pri­maat van de socio-eco­no­mische onder­bouw aan­vaar­den, moe­ten we tot de vasts­tel­ling komen dat de ins­ti­tu­tio­nele en cultu­rele boven­bouw aan die basis moet wor­den aan­ge­past en niet omge­keerd. Het gaat dus niet om de graad van Vlaamse onaf­han­ke­lij­kheid — bin­nen de res­tric­ties van de Euro­pese één­ma­king -, maar om het juiste niveau waa­rop de sociale, eco­no­mische, cultu­rele en poli­tieke belan­gen van de res­pec­tieve bevol­king­sgroe­pen kun­nen wor­den ver­de­digd en bevor­derd. Het is in deze zin dat ik op de voor­ge­legde vra­gen zal ingaan.

Wat te doen ?

1. Ik denk dat het mis­lei­dend is, van Vla­min­gen en Frans­ta­li­gen een “gehech­theid aan een her­vormde Bel­gische staat” te ver­lan­gen en daar­bij naar andere fede­rale sta­ten te ver­wi­j­zen, zolang we te maken heb­ben met een fede­ra­lisme dat niet van de deel­sta­ten uit­gaat, maar nog steeds van bove­naf gede­cre­teerd of op zijn minst “toe­ges­taan” wordt, en daa­rom tel­kens opnieuw in vraag kan wor­den ges­teld. Een authen­tiek fede­ra­lisme berust op dui­de­lijke afspra­ken tus­sen de ver­schil­lende deel­sta­ten die samen bes­lis­sen, welke bevoegd­he­den best op het fede­raal niveau gehou­den wor­den. In geen geval mag een deel­sta­ten dit fede­raal mis­brui­ken om rede­lijke pro­jec­ten en eisen van een andere deel­staat te ver­wer­pen of uit te hol­len. De graad van gehech­theid aan een Bel­gische staat, her­vormd of, zal afhan­gen van de mate van vri­j­heid waar­mee de deel­sta­ten hun eigen spe­ci­fieke belan­gen kun­nen behar­ti­gen, zon­der daa­raan gehin­derd te wor­den. Het groeiende bewust­zi­jn van dit gebrek aan vri­j­heid was de diepste oor­zaak van het onts­taan en de ont­wik­ke­ling van de Vlaamse Bewe­ging. Indien een her­vormde Bel­gische staat dit niet inziet heeft hij op ter­mi­jn geen schi­jn van kans, nog lang te overleven.

2. De her­vormde Bel­gische fede­ra­tie moet bes­taan uit twee auto­nome deel­sta­ten, omdat anders het demo­cra­tisch proces tel­kens opnieuw geblok­keerd kan wor­den zoals dat in het ver­le­den het geval is geweest. Natuur­lijk moe­ten de bur­gers van de Duits­ta­lige gemeen­schap net als alle ande­ren over de nodige auto­no­mie bes­chik­ken om hun cultu­rele en sociale ont­wik­ke­ling te kun­nen garan­de­ren — alle bur­gers van de fede­ra­tie of confe­de­ra­tie zijn gelijk voor de wet — maar het zou onfair zijn, de bevol­king van de Oost­kan­tons ins­ti­tu­tio­neel een gelijk gewicht toe te ken­nen als bij­voor­beeld de Frans­ta­li­gen en de Vla­min­gen, die de over­grote meer­de­rheid van de bevol­king in de fede­ra­tie uit­ma­ken. Brus­sel, met zijn inter­na­tio­nale en mul­ti­cul­tu­rele bevol­king, moet een ont­moe­ting­splaats van al de ver­schil­lende cultu­ren in de Bel­gische fede­ra­tie en Euro­pa wor­den, waar allen zich als gelijk­waar­dige bur­gers behan­deld voe­len. Brus­sel is eco­no­misch niet leef­baar zon­der Wal­lo­nië en Vlaan­de­ren, wat betekent dat het niet ins­ti­tu­tio­neel als een vol­waar­dige derde deel­staat mag optre­den en daar­door de nood­za­ke­lijke dia­loog tus­sen Frans­ta­li­gen en Vla­min­gen tot een machtss­pel van twee tegen één per­ver­te­ren. Vlaan­de­ren is bereid, zwaar in Brus­sel als hoofd­stad (van Vlaan­de­ren, van de Bel­gische fede­ra­tie en van Euro­pa) te inves­te­ren, op voor­waarde dat de rech­ten van alle betrok­ke­nen er vol­le­dig geres­pec­teerd wor­den. Een Vlaamse deel­staat zon­der Brus­sel, met bij­voor­beeld Ant­wer­pen of Gent als hoofd­stad, is niet wen­se­lijk, omdat Brus­sel nu een­maal uit­ge­groeid is tot de enige echt inter­na­tio­nale stad in Bel­gië en de aan­we­zi­gheid van Vlaan­de­ren in Brus­sel het gevaar afwendt van een mono­cul­tu­reel en op zich­zelf terug geplooide regio. 

3. Een fede­rale kies­kring is inder­daad moge­lijk, maar dan alleen op voor­waarde de demo­cra­tische spel­re­gels geres­pec­teerd wor­den. Dat betekent dat de Vla­min­gen daar om lou­ter demo­gra­fische rede­nen de meer­de­rheid zul­len vor­men. In een authen­tieke fede­ra­tie of confe­de­ra­tie kan geen sprake zijn van een kunst­ma­tig opge­legde pari­teit, want dat wil zeg­gen dat een aan­tal Vlaamse kie­zers hun elec­to­rale rech­ten moe­ten opge­ven, wat zon­der meer onde­mo­cra­tisch zou zijn.

4. Uite­raard moe­ten in een Bel­gische fede­ra­tie de cultu­rele gren­zen defi­ni­tief en onaan­tast­baar vast­ge­legd zijn, om nieuwe com­mu­nau­taire span­nin­gen en conflic­ten in de toe­kom­st te ver­mi­j­den. Wan­neer dit het geval is, kun­nen ook de rech­ten van cultu­rele min­de­rhe­den gega­ran­deerd wor­den en kan er zelfs, tij­dens de voo­raf­gaande onde­rhan­de­lin­gen, gepraat wor­den over bepaalde aan­pas­sin­gen aan de his­to­risch gegroeide cultu­rele ver­schui­vin­gen in bepaalde faci­li­tei­ten­ge­meen­ten. Maar een der­ge­lijk sce­na­rio kan alleen maar sla­gen, wan­neer de meer­de­rheid van de Vla­min­gen ervan over­tuigd kan wor­den dat deze toe­ge­vin­gen geen pre­cedent schep­pen voor ver­dere aan­tas­tin­gen van de taal­grens die van nu af aan ook de deel­staats­grens zal gewor­den zijn.

5. Over de twee­ta­li­gheid van Brus­sel zijn we het eens, voor zover we te maken heb­ben met offi­ciële ins­tel­lin­gen en amb­ten. Het zou onrea­lis­tisch zijn, het de fac­to meer­ta­lige karak­ter van de Brus­selse agglo­me­ra­tie te ont­ken­nen en deze twee­ta­li­gheid ook aan alle inwo­ners van Brus­sel te willen opleg­gen. Vla­min­gen vin­den het niet pret­tig, tel­kens opnieuw gecon­fron­teerd te wor­den met Brus­selse win­ke­liers die hun taal niet spre­ken, maar ze kun­nen goed onder­schei­den tus­sen een amb­te­naar, die wet­te­lijk twee­ta­lig moet zijn, en een Ber­berse taxi­chauf­feur of een uit Wal­lo­nië afkom­stige krui­de­nier, die geen Neder­lands ken­nen of moe­ten kennen. 

Dui­de­lijke en bek­li­j­vende afspra­ken maken goede vrien­den. Er is geen enkele reden waa­rom de nood­za­ke­lijke samen­wer­king tus­sen Vlaamse en Frans­ta­lige arbei­ders en bedien­den op sociaal en eco­no­misch vlak nog lan­ger moet belast wor­den door ins­ti­tu­tio­nele ondui­de­lij­kheid die deze samen­wer­king bemoei­lijkt. Deze samen­wer­king moet ech­ter berus­ten op weder­zi­jds res­pect en gelijk­waar­di­gheid. In deze per­iode van voort­schri­j­dende kapi­ta­lis­tische glo­ba­li­se­ring kun­nen we ons de one­ni­gheid op basis van his­to­risch gegroeide en kunst­ma­tig in het leven gehou­den tegens­tel­lin­gen niet lan­ger per­mit­te­ren. Maar dan moe­ten we ook bereid zijn, deze hin­der­nis­sen samen uit de weg te rui­men in plaats van ze voor de zoveel­ste keer te mini­ma­li­se­ren, te ver­doe­ze­len of te negeren. 

Ludo Abicht


Auteur